Druk

“Is het druk?” vraagt ze als ik wat gehaast binnenkom.
Ik neem wat gas terug en antwoord naar waarheid. “Ja, best wel.”

Ze zucht diep en roept verontwaardigd: “En dat in een rusthuis!”

Beha

“Ik draag geen beha,” zegt ze, gerimpeld en tandeloos maar nog altijd goedlachs.
“Al sinds mijn trouwdag niet meer. Ik had een mooie nieuwe, met kant, maar mijn man zei: ‘Wat moet ik met dat ding? Die heb ik niet nodig!’”

Rust

“Goedemiddag!” roep ik opgewekt terwijl ik de kamer binnenloop. De man ligt wat weg te dommelen in zijn luie stoel, terwijl de vrouw stilletjes aan tafel zit.
“Wat een serene rust hier,” zeg ik, terwijl de beide echtelieden langzaam ontwaken. “Hebben jullie zin in een kop thee?”

Terwijl ik in het keukentje, theezakje in de aanslag, op de waterkoker wacht, hoor ik dat de mensen tegen elkaar beginnen te praten. Het eten was niet lekker, het middagslaapje te kort en het weer verschrikkelijk voor de tijd van het jaar. Ze mopperen wat af.
En dan zegt de man: “Wat zei ze nou eigenlijk? Sirene rust? Een sirene is toch juist helemaal niet rustig?!”

Logomotief

“Waar ben jij gisteren geweest?” vraag ik.
“Naar logomotief!” roept hij enthousiast.
“Hoe noem je dat?”
“Logomotief!”
Ik moet er wel om lachen, maar zijn grote broer vindt het een ernstige zaak.
“Nee joh, dat heet lo-go-pe-die,” verbetert hij de vierjarige.
“Logomotief?” probeert die nog.
“Een locomotief hoort bij de trein,” zeg ik op mijn beste Adriaan-van-Bassie-toon. “Maar logopedie, daar ben je naar toe geweest.”

“Nou en, naar de trein toch ook wel eens,” klinkt het zachtjes mokkend.

Mobiel

Tien jaar geleden begon ik mijn eerste weblog.
Vijf jaar geleden kocht ik een laptop.
Drie jaar geleden bezorgde ik, lichtelijk aangeschoten na een middag terras, een jobstudent in een callcenter zijn bonus door een mobiel internetabonnement af te sluiten.
Anderhalf jaar geleden werd dit internetabonnement nuttig, toen ik een smartphone kreeg.
Vandaag vroeg ik me af of er niet toevallig een WordPressapp bestaat.

Dit is mijn allereerste smartphonebericht op Theefietslog. Dat er nog veel mogen volgen.

Vrouwending

Leve de schuine pony.

Na het epileren van mijn rechter wenkbrauw heb ik toch geen zin meer in de linker.

Nooduitgang

“De nooduitgang kan niet meer open,” vertelde hij over het gebouwtje.
Ik schrok en dacht aan alle avonden die ik er had doorgebracht, naar achteraf bleek met gevaar voor eigen leven.
“O jee,” zei ik, “er zou maar eens brand uitbreken!”
“Ach ja,” reageerde de man lauw. En toen fel: “Maar als er inspectie komt, dan hebben we toch echt een probleem!”

Uitgevezeld

Ooit was glasvezel iets nieuws, dat alleen in mijn dorp beschikbaar was. Althans, dat wilde men mijn plaatsgenoten graag doen geloven. Regelmatig kwam er post van het glasvezelbedrijf om ons, welwillende burgers, te informeren over datgene dat ons leven zou veranderen.

Er waren Duitsers, Polen, Hongaren en andere harde werkers die het hele dorp in weer en wind vakkundig beglasvezelkabelden. Toen het hele dorp eenmaal voorzien was van deze wondertechnologie, kwam de brief waarom het allemaal ging: die met de datum waarop de aansluitmonteur de boel zou komen aansluiten in mijn huis.

Ik was niet thuis op de genoemde dag. Er volgden een nieuwe datum, een voorstel van mijn kant en een afwijzing van de kabelboer, waarop ik besloot dat er meer mis is met gedoe dan met retro. U moet weten: ik kom oorspronkelijk uit het buitengebied. Terwijl mijn leeftijdsgenoten in het dorp hele dagen analoog bekabeld Kindernet keken, was ik veroordeeld tot Die Sendung mit der Maus en buitenspelen. Vooral dat laatste beviel mij. Ik heb dus nog enige analoge kijkuurtjes in te halen.

Al mijn buren genoten van de glasvezelkastjes in hun huizen, maar bij mij viel er enkel te genieten van een bundeltje kabels in de voortuin. Om dit te camoufleren liet ik drie jaar lang het onkruid voor mijn huis welig tieren.

En toen ging mijn vader met pensioen. Lees verder »

Ode aan de vuilnisman

Ik had een vrije donderdagochtend en stond om een uur of tien onder de douche, toen me potseling iets te binnen schoot: de otto!

Het was alweer veertien dagen geleden dat de otto, of vuilcontainer, geleegd was. Ik ben gewend om op woensdagavond de grijze bak op de stoep te zetten, maar was dat de vorige avond helemaal vergeten.

Terwijl ik me afvroeg wat ik zou aantrekken, hoorde ik de vuilniswagen verderop in de straat. Snel greep ik een korte broek en hemdje van de moet-eigenlijk-in-de-was-stoel en rende ik, struikelend op mijn slippertjes, naar buiten. Fris! Een vestje bood uitkomst.

Ik rolde mijn otto naar de straat en zag dat ik op tijd was. Ik besloot te wachten en toe te kijken. Lees verder »

Pukkel

Hij zat er al even, midden op mijn kin. Vervelend, maar ik kon me er niet zo druk om maken als ik jaren geleden deed. Als het echt zo zou opvallen, zouden mensen er toch wel wat van zeggen?

Zesennegentig jaar en net de warme maaltijd genuttigd. Terwijl ik zijn bord en bestek opruimde, keek hij me aan.
“Wat heb je daar zitten?” vroeg hij. “Daar, op je kin?”
“Een pukkel,” antwoordde ik.
“O,” zei hij, “een pukkel. En waar komt dat dan vandaan?”
“Ze komen vanzelf en ze gaan vanzelf weer weg,” was mijn reactie.
“Nou, het is anders wel een hele grote!” maakte hij het gesprek af.