Eigenlijk moet ik eerlijk zijn tegen u. Ik voelde me oud en saai, totdat ik, na het buitenzetten van het oud papier en enigszins wakker geworden door de frisse lucht, een sms kreeg. “Mocht je nog naar café komen mag je m’n sjaal meenemen.”
Verrek, dat ding lag me al weken in de weg. Op Elvis’ vijfenzeventigste geboortedag nam ik hem per ongeluk mee naar huis, terwijl hij eigenlijk om de nek van iemand anders hoorde. Sindsdien liepen iemand anders en ik elkaar mis.
Ik besloot sterk te zijn en antwoordde dat ik niet van plan was om te gaan. Hierop kwam er een nieuw bericht: “Wel gezellig hier, Voornaam Achternaam, ken je die… genoeg wilde verhalen voor een lifetime.”
Die kende ik inderdaad, inclusief wilde verhalen. Even later piepte mijn telefoon echter opnieuw. Nog een gevalletje lang-niet-gezien met de vraag of ik nog kwam en ik kon het niet meer over mijn hart verkrijgen om thuis te blijven. De kroeg had me nodig!
Tien minuten later zat ik achter mijn koude pilsje, in het gezelschap van vier mannen. Echte mannen, dacht ik nog, met het sms’je over de wilde verhalen in mijn achterhoofd.
We praatten over trouwen, kinderen – er gingen zelfs foto’s rond – en honden en opeens besefte ik: zelfs in de kroeg behoor ik tot de categorie ‘oud en saai’. Het is er alleen iets gezelliger.
Ik heb er weer zo één. Zo’n periode waarin ik mij oud en saai voel, nee, bijna burgerlijk. Vies woord met de ‘b’ van ‘bank’. Daar zat ik deze vrijdagavond dan ook op, terwijl er om me heen waarschijnlijk kroegavondjes en zuipfestijnen werden gepland. Ik was moe en keek met een half oog naar X-Factor, terwijl ik met het andere anderhalve oog de krant las. Onderwijl bedacht ik me dat het best fijn zou zijn om de krant te kunnen beluisteren. Ik bedoel maar. Zo oud en saai voelde ik mij.
Er kwam een borrel-achtige uitnodiging via de sms. Ik twijfelde, het was tenslotte vrijdagavond, maar besloot niet te gaan. Ergens had ik heel veel zin in een dekbed en een boek. Ik sms’te terug dat ik oud en saai leek geworden en mijn bed dus maar eens ging opzoeken.
Gelukkig bleek, bij gebrek aan belangstelling, aan de andere kant van de tekstverbinding ook oud en saai gedaan te worden. Ik voelde me iets minder alleen en zocht een nieuwe uitdaging in het op de ultieme manier bundelen van mijn stapel oud papier, want dat moest nog aan de straat worden gezet.
Ik ben er nog altijd niet uit wat nou handiger is, een doos of vliegertouw. Wel voel ik me weer iets jonger en eigenwijzer nadat ik daarnet mijn strijkijzer tegenkwam. Dat zit al anderhalf jaar ongebruikt in de doos.
Op mijn eerste werkdag moest ik regelmatig antwoorden op de vraag die meer een aanname was: “Natuurlijk elke dag wezen après-skiën?” Mijn antwoord was ontkennend. Om avond na avond in de kroeg te hangen hoef ik niet op vakantie. Ik bracht een aantal van mijn wintersportavonden juist op een kneuterige maar gezellige manier door: met lieve vrienden en een koud biertje op de bank in ons appartement. Eén week lang leidden wij bijna een gezinsleven.
Inmiddels weet ik het zeker: vergeet Kolonisten van Catan, laat Triviant maar zitten, want voor de echte lol gaat er niets boven Pim Pam Pet. Dat is niet eens uit te leggen, want als ik vraag om ‘iets dat je in de zomer nodig hebt’ met de letter ‘e’, zult u hooguit glimlachen bij het antwoord ‘eerko’. Wij lagen tien minuten dubbel.
Wat ik u echter niet wil onthouden is het liedje dat direct in mijn hoofd kwam en er vooralsnog niet is verdwenen. “We speelden Pim… Pam… Pehet… op de rand van je behed” is het enige dat ik me nog kon herinneren, maar ik heb hem opgezocht. Sander Vos en De Waterlanders, wie kent ze niet, maakten dit gezellige nummer. De videoclip verbaasde me in positieve zin. Die is net zo melig als het spel.
Een collega’s dienst zat erop en ze liep naar de uitgang met een pakketje in haar handen. “Janneke, er staat voor jou ook nog een fles wijn,” riep ze naar me. Verrek, ik was mijn kerstcadeautje helemaal vergeten mee te nemen.
Toen ik naar huis mocht, pakte ik mijn presentje. Eén van de koks vroeg of ik de fles die avond meteen soldaat zou maken, waarna we nog wat grapten over de problemen die dat zou opleveren voor de volgende ochtend: een half dronken Janneke die zwalkt over de werkvloer.
’s Avonds werd de verjaardag van Elvis groots gevierd in de stamkroeg en daar moest ik natuurlijk bij zijn. Na alle grootste hits van the King live gehoord te hebben, afgewisseld met andere al dan niet grote namen als Johnny Cash en zelfs Jason Mraz, liep ik naar huis. Iets later dan de bedoeling was, maar zeker niet minder vrolijk.
Eenmaal thuis zette ik twee van mijn drie wekkers op 7.00 uur – de derde is helaas defect – en ging ik vol vertrouwen slapen. Dat mocht ik slechts een paar uurtjes, dus ik wilde er maximaal van genieten.
Dat deed ik dan ook. Ik hoorde vaag in de verte Plush van Stone Temple Pilots, sinds jaar en dag mijn beltoon – beltoon?! Een blik op mijn telefoon leerde me dat het 8.20 uur was en terwijl ik in al mijn onhandigheid alvast iets nuttigs probeerde te doen als het aantrekken van mijn sokken, belde ik mijn werk terug. Twintig minuten later liep ik met koffie en thee op de afdeling. Twintig minuten overigens, waarin ik mijn persoonlijk record ‘in mezelf vloeken’ verbroken heb.
Aan de koffie, die nog nooit zo goed had gesmaakt, werd nog even mijn fles wijn genoemd. De fles, die ik niet eens nodig had gehad om me voor het eerst in negen jaar te verslapen.
Als je door de cabaretier zelf wordt uitgenodigd voor zijn première, dan ga je natuurlijk ook. Het leven als theaterrecensente heeft zo zijn voordelen – bij deze weet u dan ook meteen dat ik sinds kort met deze titel door het leven ga – en daarvan kan een mens maar beter profiteren.
Ik zal het u maar meteen verklappen: ik durf niet te rijden in het donker. Naar het ouderlijke dorpje gaat nog net, aangezien ik die weg al mijn hele leven ken, maar iedere andere route baart mij al bij voorbaat grote zorgen.
Toen ik in mijn functie als keukenassistent een jaar geleden tijdelijk was overgeplaatst naar een andere locatie – ik loog mezelf voor dat goed keukenpersoneel schaars is – had ik er even niet bij nagedacht dat de weg naar Eibergen ’s winters om zeven uur ’s ochtends en een uur of elf later behoorlijk donker is. Diverse paniekaanvallen hebben mij niet gesterkt in mijn functioneren als automobilist.
Groot was dan ook mijn verwarring toen ik enkele maanden geleden de mail ontving.
“…uitnodiging…” – leuk! – “…gastenlijst…” – tof! – “…première…” – super! – “…Rossum…” – waar?! Lees verder »
Na een geslaagde Eerste Kerstdag, eerst achter de kerkelijke piano, daarna een snertbrunch – broodjes, knakworsten, eieren, gezelligheid én erwtensoep – en vervolgens met het gezin om het gourmetstel, besluit ik toch nog even naar de kroeg te gaan om de dag op de juiste manier uit te luiden.
Dat lukt en een paar biertjes later loop ik tevreden naar huis. Een stel jongens van een jaar of achttien fietst me tegemoet. Eén van hen gooit zijn fiets op straat en loopt in mijn richting.
“Hee mevrouw, ik moet wild pissn.”
Ik kijk om me heen en zie geen toilet, dus ik antwoord: “Tja, a’j wilt pissn mo’j wild pissn.”
De jongen kijkt een beetje beteuterd. “Sorry mevrouw,” zegt hij terwijl hij zich weer bij zijn kameraden voegt.
Terwijl ik doorloop hoor ik achter me de jongens lachen. “A’j wilt pissn mo’j wild pissn, hahahaha.”
Aan de voorochtend van pakjesavond werden de eerste kerstbomen verkocht, terwijl de pepernoten en chocoladeletters al lang en breed in een grabbelbak lagen. “Uitverkoop” schreeuwde het bordje mij toe. De kopstellingen lagen vol kerstkransjes en het duizelde mij.
Bij gebrek aan traditie-erende schoonfamilie doe ik niet aan Sinterklaas. Met mijn eigen ouders, zus en zwager heb ik het kinderfeest reeds jaren geleden afgeschaft en onze vriendengroep speelt het ‘Sinterkerstspel’, iets met cadeautjes en dobbelstenen en bij voorkeur níet in december. Omdat dat zo’n drukke maand is. Lees verder »
Een dag voor de dag voor vertrek belde ik de dokter. Ik wilde nog graag voor de vluchtdatum mijn oren laten uitspuiten. Misschien zou ik dan minder last hebben van de drukverschillen bij opstijgen en landen.
Een dag voor vertrek keek de assistente in mijn oren. “Er valt niets uit te spuiten,” zei ze, “je oren zijn helemaal schoon. Maar je hebt wel vocht achter je trommelvliezen.” Een week neusspray gebruiken en bij aanhoudende klachten terugkomen, luidde het advies.
Eenmaal thuis plaatste ik de diagnose op twitter, waarop een reactie kwam: “daarmee zijn mijn oorproblemen begonnen, al ging ik er indertijd mee vliegen”. Vliegen ja. Dat zou ik de volgende dag dus ook gaan doen. Lees verder »
De man heeft een volle kar. Hij plaatst al zijn boodschappen op de lopende band en wacht rustig op zijn beurt. Die krijgt hij al gauw, want de jongen voor hem koopt alleen een pakje vloei.
Nadat de caissière alle boodschappen heeft gescand en het bedrag noemt, vraagt de man om nog drie pakjes Camel. Natuurlijk mag hij die. De caissière slaat opnieuw wat aan op de kassa en noemt een nieuw bedrag.
“O, mag ik ook nog een pakje Drum halfzware zonder vloei?”
De kassamedewerkster blijft glimlachen, legt de shag neer en noemt het nieuwe bedrag. De klant haalt twee volgeplakte zegelboekjes te voorschijn en geeft ze aan de caissière, waarna het vriendelijke meisje zonder morren het daarmee gepaard gaande bedrag van de rekening haalt. Wederom noemt ze een bedrag.
De man pakt zijn portemonnee en ik haal opgelucht adem. Eindelijk gaat hij betalen, denk ik hoopvol. In plaats daarvan overhandigt hij de medewerkster een flessenbon. En dan houdt ze het niet meer.
“Jammer dat u die nu pas geeft, want nu moet ik weer van alles ongedaan maken op de kassa.”
“Dat kan ik toch niet weten?” reageert de klant verontwaardigd.
“Ach, het maakt ook niet uit,” zegt het meisje dat haar glimlach terugvindt en van alles intoetst. Ze noemt een bedrag, voor het laatst, zo hopen we allebei.
De man haalt zijn bankpas uit zijn portemonnee en stelt nog één vraag.
“Mag ik een tientje overpinnen?”