De Franse skileraar kent mijn naam blijkbaar niet. Hij noemt me steevast Heineken.
Wijn
Een collega’s dienst zat erop en ze liep naar de uitgang met een pakketje in haar handen. “Janneke, er staat voor jou ook nog een fles wijn,” riep ze naar me. Verrek, ik was mijn kerstcadeautje helemaal vergeten mee te nemen.
Toen ik naar huis mocht, pakte ik mijn presentje. Eén van de koks vroeg of ik de fles die avond meteen soldaat zou maken, waarna we nog wat grapten over de problemen die dat zou opleveren voor de volgende ochtend: een half dronken Janneke die zwalkt over de werkvloer.
’s Avonds werd de verjaardag van Elvis groots gevierd in de stamkroeg en daar moest ik natuurlijk bij zijn. Na alle grootste hits van the King live gehoord te hebben, afgewisseld met andere al dan niet grote namen als Johnny Cash en zelfs Jason Mraz, liep ik naar huis. Iets later dan de bedoeling was, maar zeker niet minder vrolijk.
Eenmaal thuis zette ik twee van mijn drie wekkers op 7.00 uur – de derde is helaas defect – en ging ik vol vertrouwen slapen. Dat mocht ik slechts een paar uurtjes, dus ik wilde er maximaal van genieten.
Dat deed ik dan ook. Ik hoorde vaag in de verte Plush van Stone Temple Pilots, sinds jaar en dag mijn beltoon – beltoon?! Een blik op mijn telefoon leerde me dat het 8.20 uur was en terwijl ik in al mijn onhandigheid alvast iets nuttigs probeerde te doen als het aantrekken van mijn sokken, belde ik mijn werk terug. Twintig minuten later liep ik met koffie en thee op de afdeling. Twintig minuten overigens, waarin ik mijn persoonlijk record ‘in mezelf vloeken’ verbroken heb.
Aan de koffie, die nog nooit zo goed had gesmaakt, werd nog even mijn fles wijn genoemd. De fles, die ik niet eens nodig had gehad om me voor het eerst in negen jaar te verslapen.
Naar Rossum, of net als in de film
Als je door de cabaretier zelf wordt uitgenodigd voor zijn première, dan ga je natuurlijk ook. Het leven als theaterrecensente heeft zo zijn voordelen – bij deze weet u dan ook meteen dat ik sinds kort met deze titel door het leven ga – en daarvan kan een mens maar beter profiteren.
Ik zal het u maar meteen verklappen: ik durf niet te rijden in het donker. Naar het ouderlijke dorpje gaat nog net, aangezien ik die weg al mijn hele leven ken, maar iedere andere route baart mij al bij voorbaat grote zorgen.
Toen ik in mijn functie als keukenassistent een jaar geleden tijdelijk was overgeplaatst naar een andere locatie – ik loog mezelf voor dat goed keukenpersoneel schaars is – had ik er even niet bij nagedacht dat de weg naar Eibergen ’s winters om zeven uur ’s ochtends en een uur of elf later behoorlijk donker is. Diverse paniekaanvallen hebben mij niet gesterkt in mijn functioneren als automobilist.
Groot was dan ook mijn verwarring toen ik enkele maanden geleden de mail ontving.
“…uitnodiging…” – leuk! – “…gastenlijst…” – tof! – “…première…” – super! – “…Rossum…” – waar?! Lees verder »
Mevrouw
Na een geslaagde Eerste Kerstdag, eerst achter de kerkelijke piano, daarna een snertbrunch – broodjes, knakworsten, eieren, gezelligheid én erwtensoep – en vervolgens met het gezin om het gourmetstel, besluit ik toch nog even naar de kroeg te gaan om de dag op de juiste manier uit te luiden.
Dat lukt en een paar biertjes later loop ik tevreden naar huis. Een stel jongens van een jaar of achttien fietst me tegemoet. Eén van hen gooit zijn fiets op straat en loopt in mijn richting.
“Hee mevrouw, ik moet wild pissn.”
Ik kijk om me heen en zie geen toilet, dus ik antwoord: “Tja, a’j wilt pissn mo’j wild pissn.”
De jongen kijkt een beetje beteuterd. “Sorry mevrouw,” zegt hij terwijl hij zich weer bij zijn kameraden voegt.
Terwijl ik doorloop hoor ik achter me de jongens lachen. “A’j wilt pissn mo’j wild pissn, hahahaha.”
Deze mevrouw heeft gelukkig nog wel humor.
Decemberdagen
Het is wat met die feestdagen.
Aan de voorochtend van pakjesavond werden de eerste kerstbomen verkocht, terwijl de pepernoten en chocoladeletters al lang en breed in een grabbelbak lagen. “Uitverkoop” schreeuwde het bordje mij toe. De kopstellingen lagen vol kerstkransjes en het duizelde mij.
Bij gebrek aan traditie-erende schoonfamilie doe ik niet aan Sinterklaas. Met mijn eigen ouders, zus en zwager heb ik het kinderfeest reeds jaren geleden afgeschaft en onze vriendengroep speelt het ‘Sinterkerstspel’, iets met cadeautjes en dobbelstenen en bij voorkeur níet in december. Omdat dat zo’n drukke maand is. Lees verder »
Oorzaak
Een dag voor de dag voor vertrek belde ik de dokter. Ik wilde nog graag voor de vluchtdatum mijn oren laten uitspuiten. Misschien zou ik dan minder last hebben van de drukverschillen bij opstijgen en landen.
Een dag voor vertrek keek de assistente in mijn oren. “Er valt niets uit te spuiten,” zei ze, “je oren zijn helemaal schoon. Maar je hebt wel vocht achter je trommelvliezen.” Een week neusspray gebruiken en bij aanhoudende klachten terugkomen, luidde het advies.
Eenmaal thuis plaatste ik de diagnose op twitter, waarop een reactie kwam: “daarmee zijn mijn oorproblemen begonnen, al ging ik er indertijd mee vliegen”. Vliegen ja. Dat zou ik de volgende dag dus ook gaan doen. Lees verder »
Klant
De man heeft een volle kar. Hij plaatst al zijn boodschappen op de lopende band en wacht rustig op zijn beurt. Die krijgt hij al gauw, want de jongen voor hem koopt alleen een pakje vloei.
Nadat de caissière alle boodschappen heeft gescand en het bedrag noemt, vraagt de man om nog drie pakjes Camel. Natuurlijk mag hij die. De caissière slaat opnieuw wat aan op de kassa en noemt een nieuw bedrag.
“O, mag ik ook nog een pakje Drum halfzware zonder vloei?”
De kassamedewerkster blijft glimlachen, legt de shag neer en noemt het nieuwe bedrag. De klant haalt twee volgeplakte zegelboekjes te voorschijn en geeft ze aan de caissière, waarna het vriendelijke meisje zonder morren het daarmee gepaard gaande bedrag van de rekening haalt. Wederom noemt ze een bedrag.
De man pakt zijn portemonnee en ik haal opgelucht adem. Eindelijk gaat hij betalen, denk ik hoopvol. In plaats daarvan overhandigt hij de medewerkster een flessenbon. En dan houdt ze het niet meer.
“Jammer dat u die nu pas geeft, want nu moet ik weer van alles ongedaan maken op de kassa.”
“Dat kan ik toch niet weten?” reageert de klant verontwaardigd.
“Ach, het maakt ook niet uit,” zegt het meisje dat haar glimlach terugvindt en van alles intoetst. Ze noemt een bedrag, voor het laatst, zo hopen we allebei.
De man haalt zijn bankpas uit zijn portemonnee en stelt nog één vraag.
“Mag ik een tientje overpinnen?”
Zeventien
Zeventien jaar. Ik heb collega’s van die leeftijd. Toen ik vorige maand vertelde dat ik naar een concert van Pearl Jam zou gaan, reageerde een zeventienjarige collega met “ken ik niet”. “Daar ben je ook nog te jong voor,” antwoordde ik spontaan, waarna ik me een ontzettend oald wief voelde.
Zeventienjarigen hebben 1992 nooit bewust meegemaakt. Zij herinneren zich de Bijlmerramp niet, de vliegtuigramp in Faro en het treinongeluk bij Hoofddorp. Zij zongen niet met de radio mee met Inner Circle, terwijl ze zich afvroegen wat ‘Alalalalalong’ eigenlijk betekent. Zij hebben niet dagenlang aan de buis gekluisterd gezeten voor de Olympische Zomerspelen in Barcelona, met de magistrale 800 meter van Ellen van Langen, de bronzen plak voor Arnold Vanderlijde en het duet van Montserrat Caballé en Freddie Mercury – “wie?” vragen ze zich af – als herkenningsmelodie. Zeventienjarigen herinneren zich niet de impact, die Miguel Indurain jarenlang op het eindklassement van de Tour de France had. Zij denken dat Euro Disney er altijd al was en hebben in de aardrijkskundeles nooit geleerd over de Sovjet-Unie en Tsjechoslowakije.
Ook ik heb niet alles in 1992 bewust meegemaakt. Ik was negen, woonde op de boerderij, zat in groep zeven van de lagere school, speelde buiten, bouwde met lego en las boeken. Mijn wereld was niet veel groter dan de school, de handbalclub, het kinderkoor en de pianolerares. Veel van wat ik toen meemaakte, kan ik me nu absoluut niet meer herinneren.
Op dat ene na. Zeventien jaar alweer.
San Siro, of de macht van de voetbalvrouw
De vliegtickets naar Milaan waren al geboekt, toen één van de jongens erachter kwam dat juist dat weekend dé derby werd gespeeld: AC Milan – Internazionale. Wat googlen, rondvragen en smsen met Klaas-Jan – althans, dat werd gezegd – leverde niet het gewilde resultaat op en we stapten zonder toegangskaarten voor de wedstrijd in het vliegtuig.
De receptionist van ons hotel zocht voor ons op internet, want hij hield zelf eigenlijk niet van voetbal. (Toen ik hem later vroeg van welke sport hij dan wél hield, noemde hij kunstschaatsen. Over synchroonzwemmen repte hij met geen woord, maar ik heb zo mijn vermoedens.) Hij las dat we zaterdagochtend om tien uur bij het stadion moesten zijn, als we nog enige kans wilden maken op toegangskaarten.
Zaterdagochtend om half tien liepen wij van de metro naar het San Siro. Er reed een brommertje voorbij met een louche Italiaans mannetje, dat naar ons riep: “Tickets?!” “Uh, ja, kom maar op.” Hij kwam naar ons toe, gaf ons een hand en stelde zich voor als Francesco. Hij had vier kaarten voor ons in de aanbieding, voor honderd euro per stuk, maar wel vier mooie plaatsen naast elkaar. Wij keken elkaar aan. Honderd euro? Toch wel veel geld, en wie weet wie we nog tegenkomen? We liepen verder, waarna Francesco ons riep. “Maybe I can give you discount!” Lees verder »
Handjes
Als kind deed ik weleens iets níet, als ik het wel moest doen. “Je hebt het toch niet met de handjes?” vroeg mijn vader dan. Nee, dat had ik niet, antwoordde ik dan met enige spijt. Toen nog niet.
Inmiddels kan ik volmondig ‘ja’ antwoorden en daar ben ik absoluut niet blij mee. Begon het met een zwakke pijn in mijn polsen, die af en toe kwam opzetten als ik te lang achter de piano zat; inmiddels voel ik mijn polsen en vingers eigenlijk voortdurend zeuren. Mijn vingers zijn niet meer zo snel als vroeger – een jaar geleden – wat het pianospelen bemoeilijkt en afgelopen zomer speelde ik op aanraden van de fysiotherapeut zelfs twee maanden níet.
Daar ben ik nu vanaf gestapt. Mijn klachten werden niet minder, in tegenstelling tot mijn goede humeur. En waar ik mijn slechte zin normaal gesproken afreageer op mijn favoriete instrument, kropte ik de hele zomer alles op. De huisarts kon me, naast diclofenac, bijna antidepressiva voorschrijven.
Overigens is de huisarts nog altijd overtuigd van het aanpassingsvermogen van mijn overbelaste pezen. Als ik gewoon door blijf werken en spelen, wennen ze er vanzelf aan en zullen mijn klachten zomaar verdwijnen, aldus de vrouw die verder best aardig is en mij doorstuurde naar een ergotherapeute die al een jaar of vier niet meer werkzaam is in Haaksbergen.
Inmiddels heb ik besloten voorlopig weer gewoon te spelen én te bloggen en net te doen alsof mijn klachten niet bestaan. Waarom, vraagt u zich af? Allereerst om de huisarts dan toch maar een kans te geven. Werken deed ik sowieso nog en ook in mijn werk worden mijn handjes flink belast. Misschien dat die pezen van mij het daadwerkelijk goed blijken te doen! Daarnaast kan ik alleen gelukkig zijn als ik muziek maak en schrijf. Noem me zweverig, noem me artistiekerig of noem me een fanatieke hobbyist; feit is dat ik de afgelopen maanden weer eens met mijn neus op de feiten ben gedrukt: zonder muziek te maken en zonder te schrijven bestaat mijn ontspanning enkel uit biertjes drinken in de kroeg – en zelfs dát wordt uiteindelijk vervelend.
