Archive for the ‘In het verzorgingshuis’ Category

You are currently browsing the archives for the In het verzorgingshuis category.


Kweit

Als je negentig-plus bent en alleen, weet je soms niet bij wie je je verhaal kwijt kunt. Veel oudere, katholieke vrouwen luchten hun hart bij Maria. Maar als Onze Lieve Vrouw even niet bereikbaar is, zijn pen en papier natuurlijk ook altijd een optie.

Er lag een handgeschreven briefje op haar tafel:


ik ben mijn rozenkrans kweit
______________

waar is die nou
______________

heb hem al
______________

 

Happy honderd-en-drie

“Van harte gefeliciteerd,” zeg ik terwijl ik de hand van de honderd-en-driejarige schud.
“Hoe voelt u zich vandaag?”

Ze is blij met mijn felicitatie, zoals ze de hele dag al van alle grote en kleine gebaren in haar richting geniet.
“Om nou te zeggen honderd-en-drie, nee. Ik voel me meer vijfenzeventig.”

Spannend

Hoewel ze moeilijk praat, hebben we hele gesprekken. Ik smeer haar boterhammetjes en vraag hoe het met haar gaat.
Haar antwoord is duidelijk: het gaat zo-zo.
“Niet goed en niet slecht?” vraag ik.
Nou, precies, daar komt het wel op neer.
“Ik ken het,” zeg ik, “mijn leven is ook wat saai de laatste tijd.”
Saai ja, dat vindt zij dus ook.
We kletsen wat verder terwijl ik haar avondmaal bereid, totdat ik het mes laat vallen.
“Kijk,” zeg ik terwijl ik het mes onder de kraan afspoel, “dit is werkelijk het spannendste dat mij vandaag is overkomen.”

Dat we daarna de slappe lach krijgen is overigens veruit het leukste.

Fiets

“Ik moest elke nacht wel een paar keer naar de wc, maar ik kon er bijna niet meer komen,” vertelt ze. “En de nachtzuster had ook moeite om me te houden. Maar nu gaat het gelukkig beter, want ik heb nu een…”
Ze kan niet op het woord komen.
“Ach toe, een…”
Ik wil haar helpen en heb het woord ‘postoel’ in mijn hoofd al klaar, maar ze is me toch voor.
“Ja, een pleefiets!”

Geluk



Hij wil van drie hoog naar beneden, dus ik rijd hem in zijn rolstoel de lift in.
“En nu maar hopen dat het kabeltje niet knapt,” zegt hij bloedserieus.

Als we op de begane grond zijn en de liftdeuren zich openen, klinkt nog even ernstig, doch opgelucht: “We hebben geluk gehad.”

Lekker

Ze zit te lezen, dus ik vraag: “Spannend boek?”
Ze kijkt op. “Huh, pannenkoek?”
“Nee,” reageer ik lachend, “is dat een spannend boek?”
“O,” zegt ze enthousiast. “Lekker!”

Af en toe

“Ach, af en toe…” zeg ik zonder precies te weten wat ik daarmee wil vertellen.
“…gaan pa en moe,” reageert ze.
“Met ons naar de speeltuin toe,” zeg ik dus. Voor we het weten zijn we samen aan het zingen.
“Tot we misselijk van het draaien en de limonade zijn,” zingen we.
“Heeft mamá een goede bui, en is pápa niet te lui,” zingen we ook, inclusief de vreemde klemtoon.
En dan ga ik verder met mijn werk.

Drie minuten later zit het liedje nog steeds in mijn hoofd. Dat vertel ik haar dus: “Dankzij u zit dat liedje over de speeltuin nog steeds in mijn hoofd!”

“Ik vind het een zeiklied,” zegt ze.

 

Weet u echt niet over welk liedje wij het hadden? Nou, natuurlijk over de kraker van Heleentje van Capelle!

Zelfkennis

“Ja,” zegt de 88-jarige, “ik lijk dan wel een oude kerel…”

Even is het stil.
Dan, met een grote grijns: “En dat ben ik ook!”

Herfst

Het waait en regent en ik vind dat ik daar, in het kader van de koetjes en kalfjes, een opmerking over moet maken.
“Wat een weer he,” zeg ik dus.
“Nou,” antwoordt hij, “het is een raar voorjaar.”
“Ja,” zeg ik. “Maar het is dan ook herfst.”
Hij kijkt alsof hij het ei van Columbus heeft uitgevonden en zegt: “Ja, inderdaad! Het lijkt wel herfst!”
“Het ís herfst,” probeer ik hem nog een keer duidelijk te maken.

Zijn gezicht betrekt even, maar hij herpakt zich. “Ja, maar dat weet ik wel!”

Donker

Het is al half negen geweest en ze beseft opeens dat de gordijnen nog dicht zitten. Ze staat op om ze opzij te schuiven, mopperend op zichzelf. “Dat ik dat zomaar kan vergeten.”
Ik kijk door het raam naar de herfst en antwoord dat ik dat helemaal niet zo vreemd vind. “Het was nog zo donker.”

Het lijkt alsof ze niet weet hoe ze hierop moet reageren, want ze blijft een hele tijd stil en werpt me een niet-begrijpende blik toe.
 
“Het is toch niet zo vreemd dat u de gordijnen nog dicht hebt zitten,” herhaal ik iets luider, “want het was vanochtend nog zo donker.”

“O,” zegt ze lachend. Ze kijkt opgelucht. “Ik dacht dat je zei dat ik nog zo dronken was!”