Archive for the ‘Het leven van Janneke’ Category

You are currently browsing the archives for the Het leven van Janneke category.


Vrouwending

Leve de schuine pony.

Na het epileren van mijn rechter wenkbrauw heb ik toch geen zin meer in de linker.

Nooduitgang

“De nooduitgang kan niet meer open,” vertelde hij over het gebouwtje.
Ik schrok en dacht aan alle avonden die ik er had doorgebracht, naar achteraf bleek met gevaar voor eigen leven.
“O jee,” zei ik, “er zou maar eens brand uitbreken!”
“Ach ja,” reageerde de man lauw. En toen fel: “Maar als er inspectie komt, dan hebben we toch echt een probleem!”

Uitgevezeld

Ooit was glasvezel iets nieuws, dat alleen in mijn dorp beschikbaar was. Althans, dat wilde men mijn plaatsgenoten graag doen geloven. Regelmatig kwam er post van het glasvezelbedrijf om ons, welwillende burgers, te informeren over datgene dat ons leven zou veranderen.

Er waren Duitsers, Polen, Hongaren en andere harde werkers die het hele dorp in weer en wind vakkundig beglasvezelkabelden. Toen het hele dorp eenmaal voorzien was van deze wondertechnologie, kwam de brief waarom het allemaal ging: die met de datum waarop de aansluitmonteur de boel zou komen aansluiten in mijn huis.

Ik was niet thuis op de genoemde dag. Er volgden een nieuwe datum, een voorstel van mijn kant en een afwijzing van de kabelboer, waarop ik besloot dat er meer mis is met gedoe dan met retro. U moet weten: ik kom oorspronkelijk uit het buitengebied. Terwijl mijn leeftijdsgenoten in het dorp hele dagen analoog bekabeld Kindernet keken, was ik veroordeeld tot Die Sendung mit der Maus en buitenspelen. Vooral dat laatste beviel mij. Ik heb dus nog enige analoge kijkuurtjes in te halen.

Al mijn buren genoten van de glasvezelkastjes in hun huizen, maar bij mij viel er enkel te genieten van een bundeltje kabels in de voortuin. Om dit te camoufleren liet ik drie jaar lang het onkruid voor mijn huis welig tieren.

En toen ging mijn vader met pensioen. Read the rest of this entry »

Ode aan de vuilnisman

Ik had een vrije donderdagochtend en stond om een uur of tien onder de douche, toen me potseling iets te binnen schoot: de otto!

Het was alweer veertien dagen geleden dat de otto, of vuilcontainer, geleegd was. Ik ben gewend om op woensdagavond de grijze bak op de stoep te zetten, maar was dat de vorige avond helemaal vergeten.

Terwijl ik me afvroeg wat ik zou aantrekken, hoorde ik de vuilniswagen verderop in de straat. Snel greep ik een korte broek en hemdje van de moet-eigenlijk-in-de-was-stoel en rende ik, struikelend op mijn slippertjes, naar buiten. Fris! Een vestje bood uitkomst.

Ik rolde mijn otto naar de straat en zag dat ik op tijd was. Ik besloot te wachten en toe te kijken. Read the rest of this entry »

Pukkel

Hij zat er al even, midden op mijn kin. Vervelend, maar ik kon me er niet zo druk om maken als ik jaren geleden deed. Als het echt zo zou opvallen, zouden mensen er toch wel wat van zeggen?

Zesennegentig jaar en net de warme maaltijd genuttigd. Terwijl ik zijn bord en bestek opruimde, keek hij me aan.
“Wat heb je daar zitten?” vroeg hij. “Daar, op je kin?”
“Een pukkel,” antwoordde ik.
“O,” zei hij, “een pukkel. En waar komt dat dan vandaan?”
“Ze komen vanzelf en ze gaan vanzelf weer weg,” was mijn reactie.
“Nou, het is anders wel een hele grote!” maakte hij het gesprek af.

Boeven vangen

Ik stond onder de douche mee te zingen met de radio, toen ik in de verte iets hoorde dat op de deurbel leek. Ik besloot er niets op uit te doen; waarschijnlijk een postbode die zijn pakketje ook best bij de buren kwijt zou kunnen. Dus ik douchte door.

Opnieuw ging de bel, schijnbaar iets luider dan de eerste keer. Ik draaide de kraan dicht en luisterde, alsof er iets te horen viel. En dat viel er: een derde keer rinkelde de deurbel. Een onaangenaam gevoel bekroop mij en ik haalde een handdoek over mijn lichaam heen, pakte her en der wat kleding en zorgde dat ik enigszins bedekt bij de voordeur arriveerde. Intussen had de persoon voor mijn deur een vierde en zelfs een vijfde keer op de bel gedrukt.

Ik draaide de sleutel om en opende de deur. Eenmaal naar buiten kijkend schrok ik me wezenloos: twee politieagenten stonden op de stoep. Nare ongelukken schoten door mijn hoofd, er zou vast iets aan de hand zijn met een familielid, of misschien een buurtonderzoek naar aanleiding van een aangetroffen stoffelijk overschot in mijn blok. Read the rest of this entry »

Rustgevend

De vrouw kijkt zoekend om zich heen en de ijverige vakkenvuller vraagt of hij haar kan helpen.
“Heeft u die ‘Goede Nachtrust’ thee nog? Van, uh… Sepultura.”
“Zonnatura bedoelt u?”

Die bedoelt ze.

Spannend

Hoewel ze moeilijk praat, hebben we hele gesprekken. Ik smeer haar boterhammetjes en vraag hoe het met haar gaat.
Haar antwoord is duidelijk: het gaat zo-zo.
“Niet goed en niet slecht?” vraag ik.
Nou, precies, daar komt het wel op neer.
“Ik ken het,” zeg ik, “mijn leven is ook wat saai de laatste tijd.”
Saai ja, dat vindt zij dus ook.
We kletsen wat verder terwijl ik haar avondmaal bereid, totdat ik het mes laat vallen.
“Kijk,” zeg ik terwijl ik het mes onder de kraan afspoel, “dit is werkelijk het spannendste dat mij vandaag is overkomen.”

Dat we daarna de slappe lach krijgen is overigens veruit het leukste.

Brie

Beter twee dagen later dan nooit vieren wij zijn verjaardag. Op tafel staan pinda’s, cashewnoten en toastjes met drie soorten beleg. De niet-meer-jarige deelt uit.

“Wat wil je erop?” vraagt hij aan haar.
“Doe maar brie,” antwoordt ze. Hij pakt het bakje met eiersalade en begint te smeren. Ze kijkt verbaasd; een blik die hij, wanneer hij haar aankijkt, direct overneemt.
“Wat?” vragen ze elkaar op het zelfde moment.

“Doe maar brie,” zei ze.
“Alledrie,” verstond hij. Hij besloot met de eiersalade te beginnen.

Vierenzestig is hij geworden, al zou niemand het hem geven. Altijd actief, een halve eeuw hard gewerkt, veel meegemaakt maar ook zeker niet verzuimd van de mooie dingen te genieten. Dat alles houdt hem jong.

Alleen het gehoor, dat werkt niet altijd mee.

Tien koeien

Even over de Poolse grens bestelde ik mijn eerste Poolse biertje. Een halve liter Lech, gekoeld en wel, voor omgerekend net een euro. De mevrouw achter de bar sprak enkel Pools en daarvan had ik nog geen kaas gegeten. Met handen, voeten en “piwo”, één van de twee Poolse woorden die ik me tot dan toe eigen had gemaakt, redde ik me, maar ik voelde me gehandicapt zonder de juiste woorden om de mevrouw te bedanken of een fijne dag te wensen.

Ik vroeg onze van oorsprong Poolse reisgenote, gids en tolk om hulp. “Dankjewel,” zei ze, “is in het Pools ‘dziękuję’. Tegen Nederlanders zeg ik altijd ‘tien koeien’, dat is makkelijker te onthouden.”

En zo passeerden heel wat koeien de revue, want de Poolse gastvrijheid was er één die ik nog niet kende. We werden meer dan hartelijk ontvangen, er was heerlijk voor ons gekookt en gebakken en na onze optredens kwamen wildvreemde mensen naar ons toe. Zo was er de oudere mevrouw die mij de hand kwam schudden. “[voor mij helaas onverstaanbaar]” zei ze, gelukkig met een gezichtsuitdrukking die ik wel begreep en die mij “dziękuję” deed zeggen. Hierna vervolgde ze: “[ook dit was helaas onverstaanbaar voor mij]“, waarop ik haar in achtereenvolgens Duits en Engels vroeg of ze misschien één van die talen sprak. Ze keek me niet-begrijpend aan en praatte vrolijk verder. Met handgebaren maakte ik haar duidelijk dat ik haar niet begreep, waarna ze een mobiele telefoon pakte. Haar bibberende vingers drukten op verschillende toetsen, totdat er een bekend geluid klonk. Het was ons koor dat een nummer van Michael W. Smith zong. Trots toonde de mevrouw mij het display: ze had ons gefilmd.

Dziękuję“, zei ik, vanuit de grond van mijn hart. Meer woorden had ik niet.