Archive for the ‘Op reis’ Category

You are currently browsing the archives for the Op reis category.


In de auto

Als ik ’s ochtends in de auto stap om naar het werk te gaan, zet ik eerst de mand met schone was op de mat voor de passagiersstoel. Het duurt ongeveer twintig minuten totdat ik mijn Fiesta de parkeerplaats van de zorginstelling oprijd, en die tijd kan ik maar beter nuttig besteden, toch? Met mijn rechterhand vouw ik de hand- en theedoeken mooi vierkant op, zodat ik een kaarsrecht stapeltje kan maken op het dashboard. Ik moet toegeven, kleding gaat wat lastiger. Aan overhemden begin ik niet meer, daar heb ik toch echt twee handen bij nodig, en dat gaat natuurlijk wat moeilijk als ik gelijktijdig moet sturen. T-shirts en hemdjes zijn echter best te doen, als het tenminste rustig is op de weg. Read the rest of this entry »

Tien koeien

Even over de Poolse grens bestelde ik mijn eerste Poolse biertje. Een halve liter Lech, gekoeld en wel, voor omgerekend net een euro. De mevrouw achter de bar sprak enkel Pools en daarvan had ik nog geen kaas gegeten. Met handen, voeten en “piwo”, één van de twee Poolse woorden die ik me tot dan toe eigen had gemaakt, redde ik me, maar ik voelde me gehandicapt zonder de juiste woorden om de mevrouw te bedanken of een fijne dag te wensen.

Ik vroeg onze van oorsprong Poolse reisgenote, gids en tolk om hulp. “Dankjewel,” zei ze, “is in het Pools ‘dziękuję’. Tegen Nederlanders zeg ik altijd ‘tien koeien’, dat is makkelijker te onthouden.”

En zo passeerden heel wat koeien de revue, want de Poolse gastvrijheid was er één die ik nog niet kende. We werden meer dan hartelijk ontvangen, er was heerlijk voor ons gekookt en gebakken en na onze optredens kwamen wildvreemde mensen naar ons toe. Zo was er de oudere mevrouw die mij de hand kwam schudden. “[voor mij helaas onverstaanbaar]” zei ze, gelukkig met een gezichtsuitdrukking die ik wel begreep en die mij “dziękuję” deed zeggen. Hierna vervolgde ze: “[ook dit was helaas onverstaanbaar voor mij]“, waarop ik haar in achtereenvolgens Duits en Engels vroeg of ze misschien één van die talen sprak. Ze keek me niet-begrijpend aan en praatte vrolijk verder. Met handgebaren maakte ik haar duidelijk dat ik haar niet begreep, waarna ze een mobiele telefoon pakte. Haar bibberende vingers drukten op verschillende toetsen, totdat er een bekend geluid klonk. Het was ons koor dat een nummer van Michael W. Smith zong. Trots toonde de mevrouw mij het display: ze had ons gefilmd.

Dziękuję“, zei ik, vanuit de grond van mijn hart. Meer woorden had ik niet.

Katholiek

“Jullie zijn een koor?” reageert hij op ons enthousiasme. “En wat voor koor zijn jullie dan?”
“Een katholiek koor,” zeggen wij.
“O, rooms-katholiek?” vraagt hij.
“Ja, inderdaad, een rooms-katholiek kerkkoor.”
“Aha. Ja, ik ken het. Alie hier,” wijst hij naar de vrouw naast hem, “heeft heel lang in een hervormd kerkkoor gezongen. Dus ook katholiek, maar alleen niet rooms.”

Berlijnse spraakverwarring

We staan op de Alexanderplatz naar een Balkanorkestje te kijken als mijn telefoon gaat. Het is een muziekvriend en ik neem op, maar ik merk al gauw dat ik hem nauwelijks kan verstaan in al dat kopergeweld. “Ja, sorry, ik sta midden in Berlijn en er speelt hier een Balkanorkest, vind je het goed dat ik je na het weekend terugbel?” schreeuw ik in mijn mobieltje.

Voor de zekerheid stuur ik hem later nog een sms waarin ik uitleg dat ik hem moeilijk kon verstaan, zo midden in Berlijn, en ik krijg al gauw een berichtje terug.

“Het café Berlijn toch?”

Tissue

Na een gezellige dag in de stad neem ik op het station afscheid van mijn gezelschap, dat op de fiets naar huis moet. Het regent en ik bied hem mijn jas aan, waarvoor hij vriendelijk bedankt. “Ik maak me meer zorgen om mijn telefoon,” zegt hij, “ik hoop niet dat die nat wordt.”

Ik zoek in mijn tas naar iets van plastic en vind een pakje papieren zakdoeken. Het plastic pakje blijkt precies om de bewuste telefoon te passen en gerustgesteld fietst mijn gezelschap naar huis.

Het is rustig in de laatste bus naar Haaksbergen. Vijf jongens die waarschijnlijk hebben deelgenomen aan de hogeschoolintroductie en een jonge vrouw reizen met mij mee. Ik zit wat voor me uit te staren, als ik de buschauffeur hoor roepen: “Hoort hij bij jullie? Moet ik misschien even stoppen?” Ik kijk naast me en zie een jongen gebaren dat we door kunnen rijden. Op zijn kin en in zijn handen zit een slijmerige substantie met stukjes die ooit eetbaar waren.

Ik kijk in mijn tas, zie negen losse papieren zakdoekjes en geef er een paar aan de jongen. Die reageert amper en veegt met één ervan zijn mond af.

Vlak voor Haaksbergen roept één van de andere jongens naar de buschauffeur. “Wilt u zo stoppen? Dan zal ik hem ook meenemen.”

Ze stappen uit. Drie nauwelijks gebruikte papieren zakdoekjes blijven achter.

Met de wind mee

Opeens zie ik mezelf in een bootje, midden op zee. Of, nou ja, een Fries meer. Veel water om me heen, het waait hard en het bootje schommelt. Ik ben zeeziek – meerziek? – en als ik niet oppas val ik overboord. En ik kan niet zwemmen.

Dat wil zeggen: ik heb al jaren niet meer gezwommen. Ik ben een beetje bang voor dieper-dan-enkeldiep water en bovendien zijn er kledingstukken die mij beter staan dan een bikini. Een zeilpak wellicht.

Misschien begrijpt u het: ik ga het komende weekend zeilen, of in ieder geval een poging doen me de kunst van het zeilen eigen te maken. Of enkel doodsbang bibberend in een bootje zitten, om bij het eerste dorpje een taxi te bestellen.

Hoe dan ook, ik ga een weekendje weg en daar heb ik toevallig wel heel veel zin in!

Pim Pam Pet

Op mijn eerste werkdag moest ik regelmatig antwoorden op de vraag die meer een aanname was: “Natuurlijk elke dag wezen après-skiën?” Mijn antwoord was ontkennend. Om avond na avond in de kroeg te hangen hoef ik niet op vakantie. Ik bracht een aantal van mijn wintersportavonden juist op een kneuterige maar gezellige manier door: met lieve vrienden en een koud biertje op de bank in ons appartement. Eén week lang leidden wij bijna een gezinsleven.

Inmiddels weet ik het zeker: vergeet Kolonisten van Catan, laat Triviant maar zitten, want voor de echte lol gaat er niets boven Pim Pam Pet. Dat is niet eens uit te leggen, want als ik vraag om ‘iets dat je in de zomer nodig hebt’ met de letter ‘e’, zult u hooguit glimlachen bij het antwoord ‘eerko’. Wij lagen tien minuten dubbel.

Wat ik u echter niet wil onthouden is het liedje dat direct in mijn hoofd kwam en er vooralsnog niet is verdwenen. “We speelden Pim… Pam… Pehet… op de rand van je behed” is het enige dat ik me nog kon herinneren, maar ik heb hem opgezocht. Sander Vos en De Waterlanders, wie kent ze niet, maakten dit gezellige nummer. De videoclip verbaasde me in positieve zin. Die is net zo melig als het spel.

Biertje?

De Franse skileraar kent mijn naam blijkbaar niet. Hij noemt me steevast Heineken.

Oorzaak

Een dag voor de dag voor vertrek belde ik de dokter. Ik wilde nog graag voor de vluchtdatum mijn oren laten uitspuiten. Misschien zou ik dan minder last hebben van de drukverschillen bij opstijgen en landen.

Een dag voor vertrek keek de assistente in mijn oren. “Er valt niets uit te spuiten,” zei ze, “je oren zijn helemaal schoon. Maar je hebt wel vocht achter je trommelvliezen.” Een week neusspray gebruiken en bij aanhoudende klachten terugkomen, luidde het advies.

Eenmaal thuis plaatste ik de diagnose op twitter, waarop een reactie kwam: “daarmee zijn mijn oorproblemen begonnen, al ging ik er indertijd mee vliegen”. Vliegen ja. Dat zou ik de volgende dag dus ook gaan doen. Read the rest of this entry »

San Siro, of de macht van de voetbalvrouw

De vliegtickets naar Milaan waren al geboekt, toen één van de jongens erachter kwam dat juist dat weekend dé derby werd gespeeld: AC Milan – Internazionale. Wat googlen, rondvragen en smsen met Klaas-Jan – althans, dat werd gezegd – leverde niet het gewilde resultaat op en we stapten zonder toegangskaarten voor de wedstrijd in het vliegtuig.

De receptionist van ons hotel zocht voor ons op internet, want hij hield zelf eigenlijk niet van voetbal. (Toen ik hem later vroeg van welke sport hij dan wél hield, noemde hij kunstschaatsen. Over synchroonzwemmen repte hij met geen woord, maar ik heb zo mijn vermoedens.) Hij las dat we zaterdagochtend om tien uur bij het stadion moesten zijn, als we nog enige kans wilden maken op toegangskaarten.

Zaterdagochtend om half tien liepen wij van de metro naar het San Siro. Er reed een brommertje voorbij met een louche Italiaans mannetje, dat naar ons riep: “Tickets?!” “Uh, ja, kom maar op.” Hij kwam naar ons toe, gaf ons een hand en stelde zich voor als Francesco. Hij had vier kaarten voor ons in de aanbieding, voor honderd euro per stuk, maar wel vier mooie plaatsen naast elkaar. Wij keken elkaar aan. Honderd euro? Toch wel veel geld, en wie weet wie we nog tegenkomen? We liepen verder, waarna Francesco ons riep. “Maybe I can give you discount!” Read the rest of this entry »