Had ik net geschreven dat ik mijn bovenbuurman nauwelijks nog spreek, staat hij opeens voor mijn deur. Hij had een pakketje voor me, en na een tijdje aan de deur gekletst te hebben nodig ik hem uit wat te komen drinken.
Dat had ik beter niet kunnen doen. Op melk en karnemelk na is het enige drinkbare in mijn koelkast een flesje cola met een houdbaarheidsdatum van een halfjaar geleden. Dan maar een flesje wijn opentrekken, zeg ik, terwijl ik mijn kurkentrekker zoek. Als ik na enkele minuten nog steeds aan het zoeken ben, zegt de buurman dat hij best even wat wil ophalen van boven. Biertje dan maar?
En zo drinken we spontaan een biertje met elkaar, de man die nog drie dagen mijn bovenbuurman zal zijn en ik. We kletsen wat bij over zijn huis, mijn werk en onze straat, want daarover valt altijd genoeg te vertellen. Zo horen buren te zijn, bedenk ik me weemoedig terwijl de bovenbuurman een uurtje later mijn voordeur achter zich dichttrekt, maar niet voordat we hebben afgesproken dat ik binnenkort zijn nieuwe huis kom bekijken. En dat ik dan voor het bier zorg.

