Archive for oktober, 2010

You are currently browsing the Theefietslog archives for oktober, 2010.


Telefoongesprek

  “Met Janneke.”
  “Goedenavond, u spreekt met Victor van Hamelen*, bel ik gelegen?”
  “Dat kan ik u pas vertellen als ik weet waarvoor u belt.”
  “Als het goed is heeft u onlangs een brief gekregen van uw bedrijfspensioenvoorziening, en…”
  “…dat zegt me niets. Waarvan moet ik een brief hebben gekregen?”
  “Van uw bedrijfspensioenvoorziening.”
  “Ja, dat zei u net ook. Maar welke afzender moet erop staan?”
  “Zoals iedere Nederlander die in loondienst werkt, bouwt u pensioen op via een bedrijfspensioenvoorziening. Daar zijn er verschillende van, dus bij welk fonds u zit hangt af van uw werkgever.”
  “Maar ik vroeg u van welke afzender deze brief moet zijn gekomen.”
  “… Werkt u in loondienst?”
  “Als u dat niet eens van mij weet, kunt u toch ook niet weten of ik die bewuste brief heb gehad?”
  “Alle Nederlanders die in loondienst werken, hebben zo’n brief gehad. Dus als ik ervan uitga dat u in loondienst werkt, zult u ook deze brief hebben gehad.”
  “Namens welke instelling belt u eigenlijk?”
  “Ik bel namens Pensioenplanner.”
  “Die naam zegt me niets, ik geloof niet dat ik daar zaken mee doe.”
  “U doet inderdaad nog geen zaken met ons, maar dat kan veranderen, want ik kan voor u een gratis en vrijblijvend pensioenadvies samenstellen op basis van…”
  “…aha, als u me dat nou direct had verteld, dan had ik u kunnen antwoorden dat ik daar geen interesse in heb, en dan had u meteen een volgende potentiële klant kunnen bellen.”
  “O… Dus u hebt geen interesse. In dat geval wens ik u een fijne avond en een heel goed weekend.”
  “Ik wens u niets minder. Daag.”

*naam is gefingeerd om betrokkene te beschermen.

Donker

Het is al half negen geweest en ze beseft opeens dat de gordijnen nog dicht zitten. Ze staat op om ze opzij te schuiven, mopperend op zichzelf. “Dat ik dat zomaar kan vergeten.”
Ik kijk door het raam naar de herfst en antwoord dat ik dat helemaal niet zo vreemd vind. “Het was nog zo donker.”

Het lijkt alsof ze niet weet hoe ze hierop moet reageren, want ze blijft een hele tijd stil en werpt me een niet-begrijpende blik toe.
 
“Het is toch niet zo vreemd dat u de gordijnen nog dicht hebt zitten,” herhaal ik iets luider, “want het was vanochtend nog zo donker.”

“O,” zegt ze lachend. Ze kijkt opgelucht. “Ik dacht dat je zei dat ik nog zo dronken was!”