Ik ben bloeddonor. Leest u gerust verder; ik zal u in dit stukje niet proberen te overtuigen om ook bloeddonor te worden. Ik raad het u hooguit aan.
Vijf jaar geleden moest ik voor het eerst sinds lange tijd bloed prikken voor een onderzoek naar de ziekte van Pfeiffer en het viel me erg mee. Dat was voor mij het moment om me aan te melden als donor – een naald is een naald, toch? Die naald gaat inmiddels een paar keer per jaar mijn arm in en ik weet tegenwoordig precies welke ader het meest geschikt is om een halve liter bloed af te staan.
Bloed geven voelt goed, en niet alleen omdat je mensen kunt helpen zonder er zelf slechter van te worden. Voorafgaand aan elke donatie word je gekeurd en het is fijn om een paar keer per jaar op de hoogte te worden gesteld van je bloeddruk en Hb-gehalte. Vooral als deze waarden al jaren constant zijn en je zonder problemen je halve liter bloed mag inleveren.
U voelt hem al aankomen: vandaag mocht ik weer. Ik had er zin in, had goed gegeten en gedronken en voelde me fit. Ja, ik had na de laatste afname een arts geraadpleegd vanwege een langdurige verkoudheid, maar de verpleegkundige zag hier geen problemen in. Mijn bloeddruk was iets hoger dan normaal, maar meestal ben ik vrij op bloedgeefdagen en deze keer had ik de hele dag gewerkt. En toen kwam de vingerprik. Lees verder »
“Wie ben je?” vraagt ze vanuit het bed waarin ze al de hele middag ziek ligt te zijn.
“Janneke,” zeg ik.
“O, Janneke, je bent jarig geweest, gisteren geloof ik toch? Dat las ik vanochtend in het blad. Gefeliciteerd!”
Ze steekt me haar hand toe. “Hoe jong ben je geworden?”
“Zevenentwintig,” wen ik steeds iets meer aan mijn nieuwe leeftijd.
“O, zevenentwintig, mooi hoor, dan heb je nog een hele…”
Ze lijkt te twijfelen.
“…een hele boeg voor de rug,” zegt ze dan.
Ze zingt altijd mee met radio en live-optredens en ik vind het knap dat ze vrijwel alle liedjes kent.
Alle liedjes, niet alle namen.
“Hoe heet je ook alweer?” vraagt ze.
“Janneke,” zeg ik. “Wist je dat niet meer?”
Ze schudt haar hoofd, een beetje beteuterd.
“Misschien komt het doordat ik nu blond ben,” help ik haar, doelend op mijn laatste kappersbezoek.
“Janneke,” zegt ze. Om daarna met een grijns te vervolgen: “Woar he’j Jip dan?”
Mijn hele leven heb ik niet om de waar-is-Jip-grap kunnen lachen, maar het is haar gelukt. Ik lach, want zij lacht. “Ik heb Jip nog nooit gezien! Als je hem tegenkomt, moet je het wel laten weten!”
Ze lacht nog harder. “Dan zal ik wel zeggen: de groeten van Janneke!”
Een paar dagen later zit ik achter de balie te werken, wanneer ik haar opeens in de hal zie zitten. Ik roep haar naam en groet haar.
“Ha blondie,” antwoordt ze met een ondeugende blik.
Ik lach. “Weet je mijn echte naam nu al niet meer?”
Maar die weet ze wel. “Janneke, van Jip!”
Ze rolt richting huiskamer terwijl ze begint te zingen, nog altijd met haar ondeugende blik.
“Denis Denis…”
Landskampioen FC Twente wordt gehuldigd en ik ben aan het werk. Toch lichtelijk balend dat ik niet in Enschede ben, doe ik mijn ronde met de koffiekar. Gelukkig kijken bijna alle bewoners naar TV Oost en zo krijg ik toch nog iets mee van de huldiging.
Ze zit op de bank te kijken als ik binnen kom.
“Ik kom er heel even bij zitten hoor,” zeg ik terwijl ik plaatsneem op de stoel naast haar.
“Natuurlijk, kom erbij, gezellig!” antwoordt ze, terwijl we naar de overwegend rode beelden op haar televisie kijken.
“Wat mooi,” zeggen we, en “ze hebben het wel verdiend,” en meer van die dingen, totdat ze opeens opspringt.
“Ik ben iets vergeten!”
Ze loopt naar de slaapkamer, opent de kledingkast en pakt iets van de bovenste plank. Het is een rode sjaal met een afbeelding van het Twents ros en in witte letters de naam van onze favoriete club. Ze slaat de sjaal om.
In een oeverloze poging om mijn huis op te ruimen haalde ik drie grote zakken vol kleding uit mijn kasten. Ik overdrijf: het waren twee gemiddelde huisvuilzakken en één uit de kluiten gewassen Komo. In ieder geval genoeg om met de auto naar de containers van het Leger des Heils te rijden, maar te weinig om echt verschil te maken in mijn huis.
Nooit eerder leverde ik kleding in bij het Leger. Meestal bracht ik mijn lompen bij mijn ouders, die ze netjes bewaarden totdat de plaatselijke Caritas weer een transport naar Polen of Roemenië organiseerde. De ReSharecampagne van het Leger heeft echter bij minstens één persoon tot bewustwording geleid: waarom moeilijk doen als het simpel kan? Lees verder »
Eigenlijk moet ik eerlijk zijn tegen u. Ik voelde me oud en saai, totdat ik, na het buitenzetten van het oud papier en enigszins wakker geworden door de frisse lucht, een sms kreeg. “Mocht je nog naar café komen mag je m’n sjaal meenemen.”
Verrek, dat ding lag me al weken in de weg. Op Elvis’ vijfenzeventigste geboortedag nam ik hem per ongeluk mee naar huis, terwijl hij eigenlijk om de nek van iemand anders hoorde. Sindsdien liepen iemand anders en ik elkaar mis.
Ik besloot sterk te zijn en antwoordde dat ik niet van plan was om te gaan. Hierop kwam er een nieuw bericht: “Wel gezellig hier, Voornaam Achternaam, ken je die… genoeg wilde verhalen voor een lifetime.”
Die kende ik inderdaad, inclusief wilde verhalen. Even later piepte mijn telefoon echter opnieuw. Nog een gevalletje lang-niet-gezien met de vraag of ik nog kwam en ik kon het niet meer over mijn hart verkrijgen om thuis te blijven. De kroeg had me nodig!
Tien minuten later zat ik achter mijn koude pilsje, in het gezelschap van vier mannen. Echte mannen, dacht ik nog, met het sms’je over de wilde verhalen in mijn achterhoofd.
We praatten over trouwen, kinderen – er gingen zelfs foto’s rond – en honden en opeens besefte ik: zelfs in de kroeg behoor ik tot de categorie ‘oud en saai’. Het is er alleen iets gezelliger.
Ik heb er weer zo één. Zo’n periode waarin ik mij oud en saai voel, nee, bijna burgerlijk. Vies woord met de ‘b’ van ‘bank’. Daar zat ik deze vrijdagavond dan ook op, terwijl er om me heen waarschijnlijk kroegavondjes en zuipfestijnen werden gepland. Ik was moe en keek met een half oog naar X-Factor, terwijl ik met het andere anderhalve oog de krant las. Onderwijl bedacht ik me dat het best fijn zou zijn om de krant te kunnen beluisteren. Ik bedoel maar. Zo oud en saai voelde ik mij.
Er kwam een borrel-achtige uitnodiging via de sms. Ik twijfelde, het was tenslotte vrijdagavond, maar besloot niet te gaan. Ergens had ik heel veel zin in een dekbed en een boek. Ik sms’te terug dat ik oud en saai leek geworden en mijn bed dus maar eens ging opzoeken.
Gelukkig bleek, bij gebrek aan belangstelling, aan de andere kant van de tekstverbinding ook oud en saai gedaan te worden. Ik voelde me iets minder alleen en zocht een nieuwe uitdaging in het op de ultieme manier bundelen van mijn stapel oud papier, want dat moest nog aan de straat worden gezet.
Ik ben er nog altijd niet uit wat nou handiger is, een doos of vliegertouw. Wel voel ik me weer iets jonger en eigenwijzer nadat ik daarnet mijn strijkijzer tegenkwam. Dat zit al anderhalf jaar ongebruikt in de doos.
Op mijn eerste werkdag moest ik regelmatig antwoorden op de vraag die meer een aanname was: “Natuurlijk elke dag wezen après-skiën?” Mijn antwoord was ontkennend. Om avond na avond in de kroeg te hangen hoef ik niet op vakantie. Ik bracht een aantal van mijn wintersportavonden juist op een kneuterige maar gezellige manier door: met lieve vrienden en een koud biertje op de bank in ons appartement. Eén week lang leidden wij bijna een gezinsleven.
Inmiddels weet ik het zeker: vergeet Kolonisten van Catan, laat Triviant maar zitten, want voor de echte lol gaat er niets boven Pim Pam Pet. Dat is niet eens uit te leggen, want als ik vraag om ‘iets dat je in de zomer nodig hebt’ met de letter ‘e’, zult u hooguit glimlachen bij het antwoord ‘eerko’. Wij lagen tien minuten dubbel.
Wat ik u echter niet wil onthouden is het liedje dat direct in mijn hoofd kwam en er vooralsnog niet is verdwenen. “We speelden Pim… Pam… Pehet… op de rand van je behed” is het enige dat ik me nog kon herinneren, maar ik heb hem opgezocht. Sander Vos en De Waterlanders, wie kent ze niet, maakten dit gezellige nummer. De videoclip verbaasde me in positieve zin. Die is net zo melig als het spel.
Een collega’s dienst zat erop en ze liep naar de uitgang met een pakketje in haar handen. “Janneke, er staat voor jou ook nog een fles wijn,” riep ze naar me. Verrek, ik was mijn kerstcadeautje helemaal vergeten mee te nemen.
Toen ik naar huis mocht, pakte ik mijn presentje. Eén van de koks vroeg of ik de fles die avond meteen soldaat zou maken, waarna we nog wat grapten over de problemen die dat zou opleveren voor de volgende ochtend: een half dronken Janneke die zwalkt over de werkvloer.
‘s Avonds werd de verjaardag van Elvis groots gevierd in de stamkroeg en daar moest ik natuurlijk bij zijn. Na alle grootste hits van the King live gehoord te hebben, afgewisseld met andere al dan niet grote namen als Johnny Cash en zelfs Jason Mraz, liep ik naar huis. Iets later dan de bedoeling was, maar zeker niet minder vrolijk.
Eenmaal thuis zette ik twee van mijn drie wekkers op 7.00 uur – de derde is helaas defect – en ging ik vol vertrouwen slapen. Dat mocht ik slechts een paar uurtjes, dus ik wilde er maximaal van genieten.
Dat deed ik dan ook. Ik hoorde vaag in de verte Plush van Stone Temple Pilots, sinds jaar en dag mijn beltoon – beltoon?! Een blik op mijn telefoon leerde me dat het 8.20 uur was en terwijl ik in al mijn onhandigheid alvast iets nuttigs probeerde te doen als het aantrekken van mijn sokken, belde ik mijn werk terug. Twintig minuten later liep ik met koffie en thee op de afdeling. Twintig minuten overigens, waarin ik mijn persoonlijk record ‘in mezelf vloeken’ verbroken heb.
Aan de koffie, die nog nooit zo goed had gesmaakt, werd nog even mijn fles wijn genoemd. De fles, die ik niet eens nodig had gehad om me voor het eerst in negen jaar te verslapen.